• Het bureau

    11 februari 2021

    De jaren 60, een kantoor in een middelgrote stad. Zij doen in verzekeringen. Ik ben net van school en het lijkt me wel wat om in dat grote gebouw te werken, waar ik zo dikwijls langs tuf op mijn mobylette.
    Ik schrijf een brief, ik zeg wie ik ben en niet veel later zit ik achter een bureau met een typemachine.

    In de grote ruimte staan zes bureaublokken, een bureaublok bestaat uit zes bureaus met elk twee telefoons. Elk bureaublok heeft een blokhoofd. Het is er stil en de enkele keer dat ik lach, hoor ik van alle kanten: ‘ssssttt.’

    Mijnheer Houtman is mijn blokhoofd. Mijnheer Houtman, heet mijnheer Houtman, hij heeft geen voornaam, althans ik kan me niet herinneren dat wij hem anders dan met mijnheer hebben aangesproken. Ik mag als jongste bediende vinkjes zetten op hele lange lijsten. Mijn bureau is rechts naast het bureau van mijnheer Houtman. Tegenover hem zit Frits, een serieuze man, spits gezicht en in zijn mid-forties. Een harde werker, ik heb hem nooit zien lachen. Tegenover mij zit Piet, en Piet is pas getrouwd. Hij confiskeert de telefoon regelmatig tegen alle regels in om met zijn vrouw te bellen. Ik hoor hem fluisteren door de telefoon, zijn hand over de hoorn. Ik doe veel moeite om te horen wat hij zegt. Verder is er Kees, een jonge knul, vrolijk en hij walst door alles heen. Hij zit maar af en toe aan ons blok als er een plek vrij is. Ook hij belt met zijn lief, maar doet er heel open over. Geen hand over de hoorn en regelmatig hoor ik hem ‘dag lieve schat’ zeggen. Niemand zegt: ‘sssstttt.’

    Fred zit links van het blokhoofd en doet iets onduidelijks met veel dossiers op zijn bureau, hij is vooral Fred.
    Annie zit tegenover Fred, zij flirten zonder uitzondering de hele dag met elkaar. Al de jaren dat ik er werk zie ik niets anders. Het is voor zover ik weet nooit iets geworden tussen die twee. Hoewel ik Fred ervan verdenk dat hij thuis al iets heeft zitten.
    Fred heeft een klein minpuntje, hij is nogal opvliegend en kan over niets ineens heel moeilijk doen. Zijn rode hoofd wordt dan instant-rood en steekt mooi af bij zijn chloorgebleekte haar.

    Ik kan me herinneren dat ik een keer iets tegensprak of weigerde te doen en daar krijg ik de dossiers naar me toegegooid, over twee bureaus heen, rakelings over het hoofd van mijnheer Houtman. Ik kan de dossiers ternauwernood ontwijken. Mijnheer Houtman blijft stoïcijns doorwerken alsof dit de gewoonste zaak van de wereld is. Hij toont over het algemeen weinig emotie, alleen als hij het over zijn zoon heeft, komt er iets uit wat daar wel op lijkt. Zijn zoon blijkt een glazen oog te hebben, dat is natuurlijk niet fijn, zeker niet als het een kind van je is. Maar helemaal los gaat hij die keer als hij op zekere ochtend zijn aktetas opent en daarin het glazen oog van zijn zoon vindt.

    Elke dag om vijf voor vijf gaat de sirene af, tijd om onze spullen op te ruimen en om ons te posteren naast ons bureau, klaar voor de fluit van 5 uur om er dan als een haas vandoor te gaan. Aan overwerk doen we hier niet.

    Bij de eerste sirene komt Fred tot leven en tijdens het opruimen van al zijn dossiers roept hij dwars over de afdeling heen:
    Bij vijven.
    Tijd voor de wijven.
    Zijn er nog wijven die zeiken of schijten moeten?
    De boot gaat van de steiger hoorrrrr.

    Ik heb er twee jaar gewerkt, minus vakantie heb ik dit 490x  gehoord. En nog steeds als iemand roept: ‘Het is bij vijven’, zie ik bleekgebleekte Fred voorbijkomen in mijn geestesbeeld. Nu al 52 jaar lang.

     

    Lees meer >> | 77 keer bekeken

  • House of the rising sun

    11 februari 2021

    Ik ben 16 jaar en zit op de grond in mijn kleine slaapkamer. Onder mijn bed heeft mijn vader een onderbouw gemaakt waarin mijn pick-up verstopt zit. Ik zit of lig altijd naar mijn platen te luisteren. Elke dag draai ik House of the Rising Sun en als ik hem niet draai loop ik hem te zingen in huis. Ik woon in een oude flat waarvan de akoestiek zodanig is dat we alles van de buren horen.

    De buren naast ons maken elke dag ruzie. Mijn broers en ik hebben er een sport van gemaakt met een glas tegen de muur te luisteren om te verstaan wat er wordt gezegd.
    De benedenburen horen mij altijd zingen en op een dag vertellen ze mij dat zij dat zo mooi vinden.
    Dat is een verrassing voor mij want op school wordt mij dikwijls te verstaan gegeven of ik alsjeblieft wil ophouden met brommen bij de zangles.

    En nog steeds vind ik het een geweldige plaat, vooral dat zeurderige orgeltje op de achtergrond. Jaren later in een ander leven woon ik in Rotterdam en ga regelmatig met Frank naar een cafe in de binnenstad. Een nogal aparte zaak. Martin de bareigenaar kon voor een geweldige sfeer zorgen.

    Voetbal? Wij waren aanwezig met vaste plekken aan de bar en na afloop polonaise lopen door de kleine zaak en achter de bar. Wie zegt dat Brabo’s dat alleenrecht hebben?
    Nee, geen carnaval, daar deden ze niet aan, maar dat hadden ze niet nodig, het was elk weekend feest. Wij moesten dikwijls rennen om de laatste metro naar huis te halen.
    Met een vaste clientèle, zoals de man met de ijzeren glimlach. Zo’n bestorven glimlach om de lippen, met pak aan en stijf in het gareel. Hij bleef altijd in de plooi. Behalve toen die avond, tegen sluitingstijd, zijn vriendin op een barkruk zat en zo dronken als een tor ervan afviel, ruggelings met de benen omhoog. De ijzeren glimlach was ineens verdwenen. Wij gingen ondertussen gewoon door met feesten.

    Om 12 uur rolde Martin de piano achter een gordijn vandaan, ging er achter zitten en ja hoor, daar kwam ie. House of the rising sun. En daar gingen we allemaal, zingend richting sluitingstijd. Alleen maar House of the Rising Sun. Ik denk dat dat het enige nummer was dat Martin kon spelen, mij maakte het niet uit. Ik kan nog steeds dat gevoel terughalen. Als het 5 over 12 was en de piano was nog steeds niet uitgerold riep ik naar Martin: ‘House of the rising sun’. Heel soms riep hij terug: ‘Geen zin’, maar dat bestond niet in mijn woordenboek. Ik kan me niet herinneren dat hij een avond heeft overgeslagen als ik daar aanwezig was.

    En nog steeds, als ik nu via Spotify dit nummer beluister, zing ik mee, uit volle borst. Deze keer horen mijn buren mij niet.

     

    Lees meer >> | 63 keer bekeken

  • Kafka in Breda

    1 december 2020

    ‘Mevrouw, u wordt teruggebeld’.
    ‘Wanneer?’
    ‘Oh dat gaat snel hoor.’
    ‘Kan ik zelf dat parkeerbedrijf niet bellen? Gaat toch veel sneller?’

    Een discussie als ik ten einde raad de gemeente Breda bel. Het Parkeerbedrijf heeft geen telefoonnummer, geen mailadres, helemaal niets. Dan maar de gemeente bellen.

    ‘Nee wij kunnen ook het parkeerbedrijf niet bellen, ik stuur hun een bericht dat ze u moeten bellen. Weet je wat? Ik zet er urgent bij. Komt helemaal goed.’

    Dan ben ik ik nog hoopvol dat mijn probleem snel opgelost wordt.
    Ik woon in de binnenstad met een abonnement op de parkeergarage beneden mij. Bij het inrijden vanochtend zegt het scherm dat ik mijn abonnement verlopen is.
    Dat is niet het geval, ik betaal per automatische incasso, ver voor de vervaldatum. Dat moet toch snel op te lossen zijn. Ik weet de datum van overschrijving, het nummer van mijn pasje.

    Jaren geleden werd ik gedwongen een abonnement te nemen in plaats van de parkeervergunning buiten, die wat mij betreft prima voldeed en ook heel veel goedkoper was.
    ‘U woont boven een garage dus kunt u niet buiten parkeren’, was de conclusie na een pittig gesprek nadat ik al jarenlang buiten had gestaan. Die discussie heb ik inmiddels verloren.

    In die tijd deden we nog wel eens boodschappen met de auto, reden we de garage in, haalden onze boodschappen uit de auto en brachten we ze boven. Dan snel weer naar beneden om de auto buiten te parkeren. Binnen 15 minuten kun je in- en uitrijden. Totdat die keer op een zaterdag wij met de auto weggingen en naar buiten naar de parkeerplaats liepen. Weg auto. Hij stond niet op onze plek, ook niet op een andere plek. Nog een keer zoeken, hoe gaat dat. Je kunt het niet geloven dat zo’n auto zo maar weg is.

    We belden onze eetafspraak af en stonden op het punt de politie te bellen. Toen ineens we ons herinnerden dat we boodschappen hadden gedaan een paar dagen ervoor. Zou het kunnen? Ja inderdaad, de auto stond in de garage, we waren vergeten de auto buiten te parkeren. Het kostte een klein godsvermogen aan parkeergeld.

    Dit in mijn achterhoofd besluit ik buiten te parkeren, altijd goedkoper dan zo’n garage. Ook al zegt zo’n gemeentemevrouw dat ik hem rustig binnen kan zetten, het komt immer toch goed? Zo veel vertrouwen heb ik niet.

    Na een paar uur ga ik toch nog maar een keer bellen.
    ‘Ik had toch gezegd dat u teruggebeld zou worden?’
    ‘Ja, dat weet ik wel, maar ik sta ondertussen wel mijn geld te verbrassen bij zo’n meter, terwijl dat helemaal niet nodig is.’
    ‘U moet echt wachten totdat u wordt teruggebeld.’

    Eind van de middag loop ik de garage binnen en druk op de alarmknop, in de hoop iemand van parkeerbedrijf te pakken te krijgen.
    Een mevrouw zegt dat ik nu met Den Haag contact heb, een landelijke meldkamer van parkeergarages. Zij kan niet meer doen dan een aantal telefoonnummers geven om te proberen.

    Als ik het eerste nummer bel kom ik bij een aardige meneer, hij leeft enorm mee, maar kan helaas niet meer doen dan het nummer van de gemeente Breda geven.

    Het tweede nummer dat ik bel kom ik weer bij de gemeente Breda, die inmiddels de gordijnen heeft dichtgedaan, want na vier uur.

    Ik zie een 06-nummer om te chatten. Xaviera, ook van de gemeente gaat het voor mij oplossen. Na een half uur niets meer gehoord te hebben, toch nog maar even contact gezocht.
    ‘Ik heb het doorgegeven aan het parkeerbedrijf dat had ik toch gezegd? U wordt teruggebeld. Nee, helaas, ik weet niet wanneer.’

    Kafka in Breda.


    Lees meer >> | 78 keer bekeken

  • Zebra's

    17 april 2020

    Daar staan ze, een hele kudde, het is nacht, ik doe geen oog dicht en ik hou me bezig met zebra’s. Zebra’s? Ja zebra’s. Ik zou moeten slapen maar die zebra’s laten me niet met rust.

    In deze tijd van veel thuis zijn, pak ik mijn huis aan. Er is genoeg blijven liggen de afgelopen jaren. Zo ook de tafeltjes die ik van mijn buurman heb en mij al bijna een half jaar verwijtend aankijken, twee tafeltjes die onder elkaar geschoven kunnen worden. Vreselijk handig maar eerlijk gezegd niet mooi. Dus de kwast erover. En dan begint de twijfel. Zal ik ze zwart of zilver schilderen? Ik kan er ook kleine schilderijtjes van maken, met afbeeldingen en veel versieringen. Of kijken wat voor verf er nog in de kast staat en gewoon beginnen met alle restjes. Ik denk er dagen over na, steeds komen die tafeltjes voorbijschieten in de verschillende uitvoeringen bij alles waar ik ondertussen mee bezig ben. En ineens komt de zebra mijn blikveld binnen, Ik kan de tafeltjes ook gestreept verven. Dit plan blijft hangen, dit kan hem zo maar worden, de zebra nestelt zich als het ware in mijn hoofd.

    ’s-Avonds in bed lukt het maar niet om in slaap te komen, ik moet alsmaar aan die tafeltjes denken waarbij de zebra-variant de overhand krijgt en de zebra’s mijn gedachten overnemen. Ik ben helemaal niet meer met die tafeltjes bezig maar met de zebra an sich. Hoeveel strepen heeft een zebra eigenlijk? En lopen die strepen door van de poten zomaar naar het lijf en blijven die strepen dan even breed? Heb je ook afwijkende zebra’s? Zogenaamde outcasts? En worden niet- aangepaste zebra’s dan verstoten door de andere zebra’s? Hoe kunnen die zebra’s elkaar eigenlijk onderscheiden als al die strepen hetzelfde zijn? Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt in vele variaties voorbij. Ik spreek mezelf toe, ik kan alles tenslotte gewoon op wikipedia vinden. Maar het is hardnekkig en ik ben er de hele nacht mee bezig.

    Hoe dikwijls denk ik nu aan zebra’s of paarden in het algemeen? De laatste keer dat ik ermee te maken had is al weer een aantal jaren geleden. Ik was voor zes weken in Palestina, deed daar vrijwilligerswerk voor een NGO en op een goede (en vooral heel warme) dag, gingen we met een aantal mensen door de woestijn lopen. Over geitenpaadjes naar een klooster en dan door naar Jericho. Eenmaal aangekomen bij het klooster mochten de vrouwen het klooster niet in en we besloten verder te lopen, dan maar geen rustpauze. Onze gids beweerde dat hij de streek goed kende, en dat geloofde ik meteen, hij woont daar tenslotte al het grootste gedeelte van zijn leven. Maar op een gegeven moment was het pad toch ineens verloren, onze gids wist ook niet waar het gebleven was, de week ervoor was het er nog, zei hij. Wat ons restte was de heuvel af te strompelen (in mijn geval) in een bloedverzengende hitte. De woestijnheuvel lag bezaaid met grote en kleine stenen en eenmaal beneden kon ik niet meer bewegen. Ik zakte op een grote steen meer dood dan levend en niet in staat om nog de ene voet voor de andere te zetten. En daar was hij ineens, de man met zijn ezel en hij was van mij. Een soort oermens, groot, donker en gewoon op slippers. Geen idee wat hij daar deed, was hij onderweg of wist hij dat sullige buitenlanders altijd wel een ezel nodig hadden? Mij maakte het niet uit, Ik heb de man grof geld betaald om op de rug van de ezel die woestijn uit te komen. Terwijl ik nog stond te bedenken hoe op die rug van de ezel te komen op een enigszins elegante manier, pakte de man mij beet en in één armzwaai zat ik hoog en droog. Het leed was nog niet geleden want hoewel ik niet meer zelf hoefde te lopen was zitten ook geen pretje. Heb je weleens op de rug van een paard of ezel gezeten die een woestijnberg bezaaid met grote stenen afloopt? De diepte is peilloos en je zit op een soort stroeve glijbaan. Ik moet zeggen, de ezel deed het beter dan ik ooit gedaan zou hebben, maar dat is achteraf gesproken.

    Eenmaal uit bed weet ik het zeker, ik ga schilderen. Ik moet van die verdomde zebra’s afkomen en daarvoor is maar één manier, de hard way. Ik pak de verf, kwasten, terpentine, ik leg de kranten onder mijn tafeltjes en ik begin. Ik verf de zebra’s resoluut uit mijn gedachten en zij verdwijnen langzaam naar de horizon.

    En de tafeltjes? Mooi blauw met zwart.

    (afbeelding Banksy)

    Lees meer >> | 155 keer bekeken

  • Haarboetseren

    17 april 2020

    Grote bruine handen pakken mijn hoofd vast. Grote bruine handen met aandoenlijk roze handpalmen. Ik lig met mijn hoofd achterover op een nogal hinderlijke harde rand. Uit mijn ooghoeken zie ik de bruine grote beringde vingers die nogmaals mijn hoofd omklemmen en mijn hersenpan een paar millimeter omhoog tillen. Opvallend zijn de witte nagels die tegen het bruin afsteken. De handen gaan vervolgens met een masserende beweging door mijn haar waarbij het overmatige waterschuim in straaltjes mijn nek inloopt. Een van de nagels is te kort afgeknipt wat een wondje heeft achtergelaten. Een velletje steekt omhoog bij de nagelriem van de wijsvinger. Ik zou het er eigenlijk best wel van af willen pulken. Na het zorgvuldig drogen met de handdoek gaan de dikke vingers in de ogen van de schaar en behendig wordt mij een modern kapsel aangemeten.

    Het is altijd een vrolijke boel bij Oscar, mijn kapper. Ik kom er al heel veel jaar. Hij was pas begonnen, was goedkoop en zat in de buurt. Later verhuisde hij naar de rand van de binnenstad, een groter en duurder pand en hogere prijzen. Maar ik haakte niet af, gezelligheid heeft ook een prijs. Soms moet hij zo om mij lachen dat hij een keer vroeg of ik niet af een toe gewoon even langs kan komen, iets roepen en dan weer weggaan. ‘Ik ruik hier een verdienmodel’ zei ik hem.

    Overleden huisgenoot F. ging altijd naar ‘de Marokkaan’, zoals hij dat zelf zei, min of meer om de hoek. De zaak zat altijd vol met Marokkanen die niet voor een knipbeurt kwamen maar voor de gezelligheid thee zaten te drinken. F. Werd altijd geknipt door de eigenaar. Als er klanten waren, kreeg hij voorrang en als de eigenaar niet aanwezig was, werd hij gebeld en kwam alsnog naar beneden, vanuit zijn huis boven. Er woedden dikwijls discussies in de kapperszaak met al die theedrinkende Marokkanen. Op een gegeven moment was F. het zo beu, omdat hij er niets van verstond. ‘Hebben jullie het over mij?’, vroeg F. korzelig. Nee het ging over het geloof, over een punt dat een komma moest zijn, of andersom en dat de tekst daardoor ineens een andere lading kreeg in de Koran. Vanaf die tijd werden de discussies in het Nederlands gevoerd als F. binnenkwam. Toen F. ziek werd, werden alle sluizen van medemenselijkheid opengegooid. F. werd direct geholpen en als de eigenaar iemand anders aan het knippen was, werd dat overgenomen door een medewerker. F. werd omhelsd, de kapper moest huilen en hij zou voor hem bidden. ‘Ik hou van jou met heel mijn hart, ik bid voor jou. Ik kom naar jou toe als je niet meer naar mij kunt komen.’

    Zoete herinneringen toen we nog gewoon naar de kapper konden in het pre-corona tijdperk. Hier zit ik nu, met een uit de hand gelopen hoofd, mijn handen in het haar en alle kapperszaken gesloten. Ondertussen groeit mijn haar gewoon door.

    En nu knip ik dus zelf mijn haar. Met blinde ogen, brilloos, met de wastafel tussen mij en de spiegel pak ik plukken haar beet en knip rigoureus de pluimen tot een aanvaardbare hoogte. Ik gok een beetje, het hoeft niet netjes, maar wel iets korter zodat het me niet meer irriteert. Ook de zijkanten krijgen fluks een beurt. Ik knip er lustig op los. Daarna was ik het en smeer er veel schuimversteviger, wax, nou ja alles wat ik in huis heb, in mijn haar. En dan begint het betere haarboetseren. Ik duw en trek, ik verschuif een haar, en weer terug. Het nadeel is dat ik de rest van de dag bezig ben met mijn haar, want iedere keer zie ik een pluim de kop opsteken, waar ik hem niet wil hebben. Maar dat los ik gewoon op met de huishoudschaar.

    (Afb. detail schilderij 'Drama Queen' van Ada Krowinkel)

    Detail van schilderij 'Drama Queen'

    Lees meer >> | 150 keer bekeken

  • Plintjes

    4 december 2019

    ‘Ik ben gek op plintjes’. Tegenover mij zit Janny de werkster van mijn buurman. Ik heb haar gevraagd mij te helpen met ramen zemen. Niet dat ik zo’n groot huis heb, of helemaal geen tijd, dat is het niet. Het zit niet in mijn systeem en eigenlijk wil ik dat zo laten. En heel soms bij toeval sluipen die ramen mijn systeem binnen.

    Dat gebeurde de week ervoor, ik zat bij de buurman waar Janny net aan het poetsen was. Een heerlijk gezellig mens, met een praatje pot en een vette lach, het is niet verkeerd met Janny over de vloer. Zeker als je huis daarna helemaal shiny is. Ik zag haar en ineens dacht ik aan mijn niet gewassen ramen. En aan mijn niet-gewassen ramen kun je eer behalen.
    Zo zit Janny een week later tegenover mij aan de koffie, trap, emmer en spons in de aanslag. Klaar om mijn ramen eens een goede beurt te geven.

    ‘Ik maak ook voor bedrijven schoon’, zegt zij, bijvoorbeeld nieuwe panden die opgeleverd worden. Ik roep dan naar mijn collega’s dat ze van de plintjes af moeten blijven, die zijn van mij. Ik doe een matje onder mijn knieen en dan ga ik dat hele pand door. Urenlang langs al die plinten. Het mooiste is als er van die hardnekkige klonten cement en ander ongerief op zit. Dan ga ik met mijn mesje de boel eraf schrapen. Daar word ik helemaal Zen van. Mijn collega’s haten plintjes maar ik word er heel erg blij van. Dus als er een pand opgeleverd wordt dan ben ik van de partij.’

    Janny vertelt enthousiast verder, over de verschillende soorten plinten met wat je daar allemaal vanaf kunt schrapen. In mijn ooghoek zie ik mijn vuile witte plinten. Stof op de randjes, zwarte strepen her en der van…. ja van wat. Er zit zelfs een stuk plint los, het ligt er gewoon naast, zo’n klein stukje wat er aan vastgemaakt was in een hoekje. Het ligt op de grond met de naakte muur erachter zichtbaar. Cementachtig korrelig grijs op het randje van muur en grond. Dat ik dat nog nooit gezien heb en dat ik mijn plinten zo verwaarloosd heb. Dat was jaren geleden wel anders.

    Mijn witte plinten zijn een compromis, oorspronkelijk waren ze donkerbruin. Hardhouten plinten, het stond trots in de verkoopbrochure. Alsof het het goud van Shiva was. Na een aantal jaren me geërgerd te hebben hieraan besloot ik actie te ondernemen.

    Van een eerder thuisfront in een ander leven had ik inmiddels geleerd dat het het beste is iets te overleggen voordat je aan de slag gaat. Het was in de ‘bruine periode’, jaren 80 dat ik besloot mijn huis bruin te verven. Alle deurstijlen donkerbruin, de deuren lichtbruin. Op de dag dat ik dit bedacht,  kocht ik verf en begon, schuren en direct lakken op het witte hout.
    Toen mijn toenmalige huisgenoot ’s-avonds thuis kwam van het werk vond hij een ineens ander huis. Het bruin was nog niet wat je er van mocht verwachten, het wit schitterde er doorheen met ongelijke streken. Het viel verkeerd en ik vond dat hij star was. Waar was die leuke man van mij gebleven?
    Het resultaat was dat in het weekend wij gezamenlijk gezellig zwijgend stonden te schilderen. Ik nog een keer over mijn eerste bruin laag heen, het thuisfront kwastte met wit over de gedroogde bruine laag heen. Een vriend die op dat moment binnenkwam zei: ‘Ik bespeur hier een meningsverschil.’ Wij zeiden niets en verfden stug door.

    ‘Ik wil nieuwe moderne plinten’, riep ik. Mijn nieuwe thuisfront reageerde afhoudend. ‘Goede houten plinten gaan we niet zo maar weggooien’, was het verweer. ‘En weet je wel hoeveel dat kost, een beetje plint.’ Ik wist het niet, maar vond het niet relevant. Het duurde wel een paar weken maar uiteindelijk kwam ik met de oplossing. We gaan die plinten wit verven. Het thuisfront wilde er alleen aan toegeven als ik dat klusje zelf zou opknappen. Nou dat was geen punt.

    ‘Je moet ze eerst ontvetten’, riep mijn huisgenoot. ‘Anders dondert de verf eraf.’ ‘En vergeet je niet te schuren en de plinten in de grondverf te zetten? Ja dan pas lakken. Nee, niet gelijk lakken, wees nu niet eigenwijs, doe nu maar.’ Het thuisfront had er weinig vertrouwen in. En daar ging ik, dagenlang, met de kont omhoog door het huis. Huiskamer, keuken, gang, slaapkamers, het appartement nam in mijn ogen enorme afmetingen aan. Ik werd er niet Zen van. Na een week van zweten waren de plinten klaar, ze waren als nieuw. Zelfs het thuisfront was tevreden, ja zelfs blij met de verandering, het leek wel of het hele huis een metamorfose had ondergaan. We keken liefdevol naar onze plinten en we zagen dat het goed was.

    Dit alles had ik in gedachten terwijl Janny verder zat uit te weiden over haar plinten, dat ze zo blij was als ze daarop los mocht gaan. Oh, had ik Janny maar eerder ontmoet, ze had haar repertoire kunnen uitbreiden. Ik had haar laten kennismaken met het schoonmaken met ammoniak, het schuren om alle pukkeltjes op het hout radicaal te verwijderen. Ik zou haar hebben leren verven, ik zou een nieuwe kwast gekocht hebben, de beste om haar het gevoel te geven dat ook met een kwast de Zen-status te bereiken zou zijn. Ik zou het fijnste schuurpapier gegeven hebben, in alle verfijningen die er zijn, zij zou het onderscheid gevoeld hebben tussen korrel 1 en 2, zij zou met haar vingers sensueel langs de plinten gevoeld hebben, de gladheid ervaren en het zou haar tot hoge pieken gebracht hebben. Ik zou haar de diepste dimensie van het plintenwezen hebben laten leren kennen.

    Maar Janny kwam slechts mijn ramen zemen.

    Detail 'Family affair' van Ada Krowinkel

    Lees meer >> | 189 keer bekeken

  • In the liquorstore

    24 februari 2019

    In the liquorstore,

    De avond valt, het is schemerig, de donkerte krijgt de overhand. Ik loop alleen op straat, niet helemaal alleen, er zijn anderen. Het is een vreemde buurt, ik ben er nog maar net, nog geen dag. Een buurt die zo totaal anders is dan wat ik gewend ben. Het zijn lange straten met brownstone huizen die ik ken van films. In de zomer moet het hier heel gezellig zijn, iedereen op de trap van zijn eigen brownstone house een beetje socializen.

    Er rijden veel taxi’s, er passeert een bus. De mensen op straat zijn allemaal zwart, ik ben de enige blanke. De mensen lopen met een enkele uitzondering langzaam, ze sloffen meer dan dat ze een stevige stap zetten. De meesten kennen elkaar, schreeuwen een groet, soms van huizenver. Een man hangt tegen een muur, een andere tegen een lantaarnpaal. Ze zien me niet of ik denk dat ze me niet zien, ik durf niet goed te kijken. Ik ben in Brooklyn voor een hele maand, ik ben met een vriendin, zij exposeert op Manhattan. Wij noemen het een businesstrip.

    We hebben de dag doorgebracht in de auto van Elizabeth, onze gastvrouw van de Airbnb. Zij crosst met ons door Brooklyn op zoek naar winkels die kunstwerken binnen 3 dagen kunnen inljsten en een groot canvas kunnen opspannen. Het is moeilijk, het is onmogelijk. Elizabeth houdt van snelheid en van op het laatste moment ziet ze de mensen die oversteken en moet hard remmen. ‘Ik heb mijn lenzen niet in, maar ik zie alles’, roept ze. Elizabeth is een geval apart. Binnen een paar minuten zijn we op de hoogte van haar wel en wee. ‘Heb ik 1x seks met mijn gescheiden kerel en ben ik ineens zwanger. Ik heb een vriend nu, ik denk dat mijn vriend wel bij mij komt komen. Hij heeft in de gevangenis gezeten, maar nu aan het studeren. Hij heeft weinig tijd voor mij. Weet nooit wanneer ik hem zie. Soms weet ik helemaal niet waar hij is. Is goed zo’, zegt zij, maar haar houding spreekt een andere taal.

    Eenmaal weer terug van onze tocht door Brooklyn wil ik naar buiten, de buurt verkennen, even alleen. Het is nog licht als ik vertrek.
    Als ik al bijna buiten ben roept mijn vriendin een fles wijn mee te nemen. In de supermarkt wordt geen wijn verkocht, er wordt wel wijn verkocht met een echt etiket met de naam van de druivensoort erop, maar het is aangelengd met water en er is suiker toegevoegd. Je moet in de liquorshop zijn, vertelt Elizabeth ons.

    Het is al donker als ik langs een liquorshop loop, geen winkel maar een soort hok met tralies. Een hok waar ze wijn verkopen. Ik stap binnen, het is niet alleen een liquorshop maar ook een gokloket. Er staan vijf grote donkere mannen in en dat maakt het hok vol. Ze schreeuwen tegen elkaar alsof ze mijlenver van elkaar afstaan en ze schreeuwen tegen de man achter het loket, waarvan ik vermoed dat dat een man is. Het loket is zo klein dat ik niet kan zien of er wel een levend wezen achter zit. Het moet wel want zo af en toe komt er een hand naar buiten om een formulier door te schuiven. Het andere loket is voor de liquor. En getraliede wand met een kleine opening om het geld onder door te schuiven en een soort sleuf om de fles in door te geven. De flessen staan achter een glazen wand, ik moet mijn fles aanwijzen. Dat valt niet mee, ook de prijzen vallen niet mee. Ik kan me niet voorstellen dat in een hok zoals dit topwijnen staan. De prijzen doen anders vermoeden. Ik wijs een fles aan, de goedkoopste. De fles wordt in een zwarte plastic zak gedaan en door de sleuf geschoven nadat ik het geld in het bakje heb gedaan. Met mijn trofee loop ik naar huis.

    Als mijn vriendin mijn verhaal hoort roept ze uit dat ze niet alleen naar buiten gaat in de avond. Bang voor mensen met messen. Wat niet meehelpt is dat Elizabeth ons diezelfde middag vertelde dat er vroeger elke dag schiet- en steekpartijen waren, maar dat dat echt niet meer zo is. Althans niet meer elke dag. ‘Als je een helicopter hoort zijn ze achter een dader aan’, voegt ze er aan toe. ‘Hebben jullie al een helicopter gehoord?’ Een dag later is de weg vlakbij ons huis afgesloten, de politieagent vertelt mij dat er iemand is neergestoken. Weer een dag later ziet mijn vriendin een man met een revolver bij een barbershop. ‘Loop snel door’, sist ze tegen mij.

    Als we al wat langer in New York zijn en we bijna dagelijks terugkomen uit Manhattan vinden we vlakbij onze metrohalte een liquorshop. Het is hetzelfde concept behalve dat hier geen gokloket is. Wel een man die onzichtbaar achter glas naar de een of andere wedstrijd op televisie zit te kijken. We horen hem schreeuwen of juichen als we binnenkomen. Hij komt te voorschijn als hij de deur hoort, dan rijst hij langzaam op uit het niets. Na een aantal bezoeken hebben we een hechte vertrouwensband opgebouwd. Ik knik als ik binnenkom, hij pakt de fles die ik wil. Ik leg het geld in het bakje, hij schuift de fles door de sleuf. Na een paar bezoeken mag ik minder betalen. Geen idee waarom, ik vraag er niet naar en hij zegt het niet. De handelingen zijn woordeloos. De man verdwijnt weer op zijn lage stoel, hij is onzichtbaar. De enige stem is van de schreeuwende reporter op de tv.

    Lees meer >> | 375 keer bekeken

  • Hond in New York

    21 februari 2019

    Op zondagochtend drinken we onze koffie op Manhattan in een van de vele Starbucks daar. Een mevrouw met een soort van tweelingwandelwagen komt omstandig binnen en ook met een baby in de draagzak. Op het moment dat ik me afvraag of we hier met een drieling te maken hebben, zie ik dat er twee van die kleine flufhondjes in de wandelwagen zitten en de baby in de draagzak is fluffy nummer drie. Ze zijn sprankelend wit en elk haartje is gekamd. Ik ren op de mevrouw af en paai haar dat ik die hondjes van haar zo georgious vind. Dat vind ik helemaal niet, ik wil alleen maar foto’s maken. Ze knikt heel lichtjes en als vriendin C. ook met haar fototoestel aan komt zetten is de maat vol. Ze klept de kap van de wandelwagen dicht, doet gaas voor de opening en mompelt iets en gaat apart zitten. Daar geeft ze de hondjes stukjes cake, praat ermee, sluit zich op in haar wereld. De show is voorbij, zoveel is wel duidelijk.

    Als één ding duidelijk is, de poedel is populair in New York. In Nederland zie je betrekkelijk weinig poedels. Vroeger, ja toen ik kind was, zag ik veel poedels. In New York is duidelijk een andere hondenmode aan de gang. Ook hondensoorten die ik nog nooit eerder heb gezien komen voorbij in de meest bizarre kleuren.

    Later op straat zien we honden met sokken aan. Ook hierin is een mode te herkennen. Wij zien vier verschillende kleuren sokken bij de ene hond, bij de andere roze sokken met bijpassend jasje, met franjes en frutseltjes. We zien een vrouw lopen met een mandje, roze gestoffeerd. Het hondje wordt er uitgehaald voor zijn behoefte en daarna behoedzaam in het mandje teruggedaan. De oude vrouw sjouwt met het hondje verder. Het beest kijkt ons brutaal aan, hij vindt het niet meer dan normaal.

    Dat doet me denken aan een programma dat ik lang geleden op de televisie zag, een Amerikaans programma. Het ging over poedels, een wedstrijd waarin poedels getransformeerd werden tot bekende personen. Ik was aan het zappen en daar was hij ineens, de zuurstokroze poedel, met een kapsel dat hoog boven de
    poedel uitsteekt, dito-kleurige haarstukjes er in verweven om het beest toch vooral een robuuste coupe te geven en vol in de krul. De hond wordt aangesproken met ‘Dolly Parton’.

    Ik was nog niet van mijn verbazing bekomen of daar kwam de volgende poedel al voorbij. Deze staat op een sokkel, neergezet als een levend standbeeld. Deze poedel is een leeuw, althans hij is getransformeerd naar een leeuw, lichtbruin gespoten en de krul op zijn kop is er helemaal uitgestyled en gewaxt in stijle manen. En verdomd, het is een leeuw, hij gaapt zoals alleen leeuwen kunnen gapen. Deze poedel leeft zich duidelijk in in zijn rol.

    Er is een poedel in alle kleuren van de regenboog met bolletjes haar op hoofd in blauw en groen, een zeer kleurig schouwspel. Een poedel vermomd als gestreepte slang, eentje als zebra, een poedel met twee bruine bulten, het blijkt een kameel te zijn. Het kan niet op, er is geen enkele poedel als zichzelf. Ze staan klaar in hun showtoilet om de catwalk te betreden, in dit geval een ietwat vreemde benaming.

    Het programma is spannend, want het is een wedstrijd wie zijn poedel het mooiste kan opmaken en onderdeel van de show is een wandeling van eigenaar met poedel op de catwalk. Ook de baasjes hebben zich aangepast aan de poedel, dus de look-alike van Dolly Parton loopt met Dolly Parton aan de lijn, doet een dansje. De leeuw wordt vergezeld van een leeuwentemmer, de slang met een slangenmens in dito kleuren en de veelkleurige poedel verschijnt zelfs op rollerskates. De kameel is een beetje sneuig, de bulten zijn zo groot, dat bij elke stap van de poedel de bulten van links naar rechts zwiepen, hij wint dan ook niet. Wie de winnaar was, weet ik niet meer, voor mij waren ze het allemaal. Het eindigt met heel veel tranen van verliezers en van de winnares, die tussen de tranen de historische woorden spreekt: ‘Ik ben helemaal van mijn melk’. In dat licht bezien zijn die honden met sokken aan toch maar een slap aftreksel.

     

    Lees meer >> | 370 keer bekeken

  • Niet zwaar, wel onhandig

    16 oktober 2017

    Op het parkeerterrein bij de Hornbach passeer ik twee mensen, ik loop naar mijn auto met twee pvc-buizen van twee meter lang. Een buis heeft een doorsnede van 10 cm. de andere buis 12,5 cm. Ik heb nog een plastic tas in mijn hand met wat klein spul, deze bungelt aan mijn hand, de twee pvc-buizen heb ik onder mijn arm van dezelfde hand. Mijn autosleutel in mijn linkerhand, klaar om de auto te openen.
    Ik vroeg nog bij de Hornbach om van de de buizen 50 cm. af te zagen, maar het is de bedoeling dat ik dat zelf doe, ergens bij de zagerij buiten het gebouw. Ik kan deze zagerij niet vinden, zeker niet met deze twee scharende buizen van twee meter onder mijn arm.

    De mensen roepen naar mij: ‘Niet zwaar he, maar wel onhandig’, ze lachen om mijn gestuntel. Ik niet. Ik heb het warm, mijn auto staat verder weg dan ik had gedacht en ik zweet. Ik moet auto’s ontwijken die langs mij rijden en de pvc-buizen blijven gevaarlijk scharen onder mijn arm, ik krijg er maar geen controle op.

    Bij de auto laat ik mijn autosleutel vallen en deze valt precies onder de auto, niet aan de rand, maar precies in het midden. Gelukkig heb ik een twee-meter-pvc-buis tot mijn beschikking. Ik krijg de buizen in mijn auto en rijd snel naar huis. Daar zaag ik er zelf 50 cm. van af, ik heb die Hornbach helemaal niet nodig.

    Dan rol ik een groot geschilderd doek van 1,15 mtr x 2 mtr. op en doe dat ik buis een, buis twee doe ik daar overheen. Ik tape de hele boel in, plak het adres er op.

    De andere dag staat een jongen van DHL bij mij aan de deur, ‘Ik kom het pakketje ophalen’. Hij heeft een regenpak aan en staat te druipen bij mij voor de deur. Ik geef hem het (inmiddels) zware pak onderwijl afvragend waarom hij een regenpak aanheeft. ‘Ik ben op de fiets’ zegt hij, 'Ik moest iets kleins ophalen’.
    Uiteindelijk komt alles toch nog goed. Later op de dag komt DHL met een auto, zet mijn pakket erin en vier dagen later is mijn doek gearriveerd bij een kunstliefhebber in Pensylvania. Zeven dagen later hoor ik dat de klant tevreden is en het doek niet terugstuurt. ‘Into the woods’ heeft zijn definitieve bestemming gevonden.

     

    Lees meer >> | 594 keer bekeken

  • Bonbon

    4 december 2016

    Ik moest de bonbon wel opeten. Ik wilde perse het glanzende koperkleurige papiertje hebben dat om de bonbon zat. Ik had het nodig voor een heel klein collage-schilderijtje dat ik wilde maken voor een dierbare vriendin.

    Ik moest het er heel voorzichtig afhalen om het niet te scheuren. Zou je zo’n papiertje ook kunnen kopen, zonder bonbon?? Ik betwijfel het. Zouden ze in de bonbonfabriek hele rollen van dat mooie papier hebben? Oh wat zou dat glanzen als de zon door de ramen naar binnen schijnt. Hoe groot zijn die rollen, of worden ze aangeleverd in kant en klaar op maat gemaakte papiertjes?

    Dezelfde papiertjes hebben ze ook bij de kapper, als ik daar tien blonde lokken vraag. Dan sprokkelt de kapper heel zorgvuldig haar voor haar een plukje bij elkaar met de achterkant van zijn kam, een penkam. Dan pakt hij zo’n glanzend papiertje en legt het papiertje onder de lok, verft hem en pakt hem in. En daar zit ik dan op de kapperstoel met tien blinkende pakketjes op mijn hoofd.

    Hoe krijgen ze dat glanzende papiertje om de bonbon? Er is vast een machine voor, of zou het toch met de hand worden gedaan? Er zijn eigenlijk nooit zo veel ingepakte bonbons, dus misschien is het toch een soort van collector’s item in zo’n doosje. Het ziet er feestelijk uit, zo’n glanzende bonbon en het doet me wegdromen naar vloeibare nectar die uit een bonbon stroomt bij de eerste hap die je neemt. Voorzichtig, want je weet nooit precies wat er in zit en als je maar een beetje onvoorzichtig hapt kan de inhoud van de bonbon zomaar langs je mond je nek indruipen. Je kunt vervolgens met je vinger proberen het weg te vegen en met je vinger af te likken. Het effect is nihil, het zit op je huid en het kan niet meer je mond inlopen. Want dat is wat je wil.

    In uiterste nood kun je natuurlijk een aantrekkelijk persoon vragen je nek uit te likken, weer eens wat anders dan te vragen of je de postzegelverzameling mag bekijken. Een eerste vereiste is dat er een gewillig aantrekkelijk persoon in je buurt is, die van bonbonvulling houdt en er van houdt om je af te likken. Dat zie je natuurlijk niet altijd af van de persoon, mits je hem/haar natuurlijk iets beter kent. Dan is het van belang om in de buurt van die persoon te gaan staan, een roekeloze hap van de bonbon te nemen en er voor te zorgen dat de inhoud langs je mond zo je nek in loopt. Zet je gezicht in de helpstand en kijk wat er gebeurt. Misschien honderd keer effectiever dan daten via internet. Het vereist wat inspanning vooraf maar internetdaten is ook een tijdrovende bezigheid.

    Mocht je niemand in het vizier hebben, dan kun je altijd nog besluiten gewoon een hap uit die bonbon te nemen en te genieten van het warme dikke vloeibare vocht dat langzaam in je mond verdwijnt en zich vermengt met de pure smaak van de chocolade. Doe je ogen dicht en ervaar de tinteling in je mond, je slijmspieren spannen zich in, ze kunnen het nauwelijks aan, ze werken over om de smaaksensatie te vervolmaken. Het speeksel vermengt zich inmiddels met de vloeibare chocolade, het is 37 graden, een ideale temperatuur om de chocolade langzaam te laten versmelten met de vulling en het speeksel dat een synergie aangaat om tot de ideale smaaksensatie te komen.

    Lees meer >> | 800 keer bekeken

  • Meer blogs >>