• 30 Men in black

    15 september 2016

    Eten in de refter, in de kelder van het gebouw. Ik zit in een klooster, tijdelijk. Ik ben op de West Bank voor 6 weken. Ik werk o.a. mee aan het opzetten van een groot kunstproject ter herdenking van 50 jaar bezetting in 2017. In dit klooster ben ik min of meer toevallig terechtgekomen. Het hostel dat ik had geboekt en waar ik midden in de nacht met mijn koffer voor de deur stond, hadden niet op mij gerekend. Het was een misverstand. Ze hadden wel een bed even voor de nacht, daarna zou ik een kleine kamer krijgen. Het was niet top. Er was geen handdoek en nee, ze hadden geen ontbijt voor mij voor de volgende ochtend. En nee, je kunt niets kopen, alle winkels zijn dicht zijn vanwege het offerfeest.

    Via andere vrijwilligers kom ik in het klooster terecht, bij de paters. Niet een gebruikelijke plek maar door het meedenken van de beheerder en door tussenkomst van een van de vrijwilligers krijg ik een cel. Met een kruisbeeld aan de muur, Maria op het bureau en met een flesje water uit Lourdes. Maar vooral ook met een toilet, douche, handdoeken, ontbijt en avondeten. Het ligt op een mooie plek, centraal in Betlehem met een grote tuin erom heen met meerdere gebouwen. De paters laten zich niet zien. Het is een oud klooster met brede stenen gangen. Zodra er een plek vrij is in het guesthouse van de paters, verhuis ik weer. Naar het volgende gebouw op hetzelfde terrein. Het is een paradijs in een wonderlijke wereld. Een wereld van afsluiting, frustatie, geweld en van mensen die proberen hoop te brengen. Voor die mensen ga ik werken.

    Mijn disgenoten zijn al vertrokken, zij moeten op tijd weg voor hun workshop die zij geven aan (groot)moeders over opvoeden van kinderen in stressvolle situaties. Ik blijf nog zitten, ik ben nog niet klaar. Ik zit alleen aan het tafeltje samen met 30 jonge priesters in opleiding. Zij logeren in het guesthouse. Men in black, met af en toe een wit boordje. Verspreid aan de vele tafeltjes in de ruimte. Zij zwijgen, zij mogen niet praten de zeven dagen dat ze in het klooster verblijven. Dat hebben ze zo afgesproken. Het tikken van het bestek en het schuiven van de stoelen is het enige geluid in de grote Middeleeuwse refter. Het is vervreemdend. Ik zit als enige vrouw in mijn witte blote shirtje aan een tafeltje bij de men in black. In een shirtje waar mijn borsten toch wel duidelijk zichtbaar zijn. Wel een mooi shirtje, maar bloot. Mijn bh is duidelijk te zien en wit kleedt niet echt af. Ik kan de zaak niet verstoppen. Ik zit achterin en moet regelmatig naar voren lopen naar het buffet, langs de 30 zwarte jonge mannen. Ze doen hun uiterste best niet te kijken, ze staren gebiologeerd naar hun bord en eten met gebogen hoofd. Ik zie ze zo ‘niet kijken’. Ik ben echter niet te negeren. Ik loop spitsroeden.

    Na het ontbijt word ik aangesproken door een van de mannen. ‘Mag je wel praten met mij?’ vraag ik hem. Ik mag toch zeker wel goedemorgen zeggen? Hij neemt de tijd voor zijn ‘goedemorgen’ en blijft een beetje halfslachtig rond mij hangen in de lobby.
    Morgen trek ik toch maar een ander shirtje aan. Zwart of zo.

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 780 keer bekeken

  • Corrigerend ondergoed

    8 november 2015

    ‘Hoe zit ie mevrouw?’
    Ik sta in het pashokje van V&D, een pashok van formaat met veel spiegels aan de wanden. De verkoopster praat tegen mij vanaf de andere kant van het gordijn. Ik ben omringd door corrigerend ondergoed in alle soorten en maten. Broekjes met half lange pijpen. Deze moeten de buik en de dijen in bedwang houden. Broekjes met korte pijpjes maar met een hoog bovenstuk die tot onder de borsten getrokken worden. Voor dijen en taille. Broekjes in verschillende maten, materialen en lengtes.

    ‘Ik heb hier nog een ander merk, wel vleeskleurig, maar een prima exemplaar’. Zegt de stem achter het gordijn.
    Ik hou niet van vleeskleurig, ik vind het er vies uit zien, alsof je een soort huid over je huid trekt. Ik vind vleeskleurig naar oude vrouwen neigen met degelijke onderbroeken, groot formaat en ondoordringbaar. Ik had afgelopen zomer voor onder een strapless jurk een bh zonder bandjes nodig. Ik had nogal haast en had een vleeskleurig geval gekocht bij gebrek aan beter en vanwege die haast. Het houdt de zaak keurig op zijn plaats, de boel wordt enorm gestut, maar mooi is anders. Als je ’s-avonds de boel loskoppelt, mijn God, dan valt alles als een soort bom naar beneden. Ik moet nu ineens erg aan mijn vleeskleurige bh denken.

    ‘Nee dank u’, roep ik terug.
    De verkoopster laat zich niet door mij afschepen.
    ‘Deze heeft een mooie kanten afwerking aan de pijpjes. Hij is van stevig materiaal, ik denk dat deze ideaal is voor u. En wat goed dat u die rok heeft meegenomen. Bijna niemand neemt de kleding mee die ze eroverheen doen. Nu kunt u het tenminste goed beoordelen welk ondergoed geschikt is voor u.’
    Ik pak het geval aan en ik zie me in gedachten al ingesnoerd staan in dit broekje met kanten pijpjes en opgetrokken tot onder aan mijn borsten samen met mijn vleeskleurige bh.

    Tsja, die rok heb ik zojuist gekocht, ik was het niet van plan. Ik was gewoon boodschappen aan het doen bij AH in de binnenstad. Ik woon tegen de binnenstad aan en loop dus langs al die etalages waar ik normaal gesproken geen aandacht aan schenk. Tot nu, want ineens zie ik hem hangen, de rok die ik al heel lang wil hebben. Met de volle boodschappentas ga ik de winkel in en ga de rok passen. Het is hem helemaal. Er is alleen een klein probleempje. Het is een strakke rok, een rok die nogal tekent, elke pukkel die je op je been hebt zitten, zit als pukkel in die rok. En aangezien ik niet meer zo dun als vroeger ben, heb ik een probleem. Links op heuphoogte zie ik een bobbel die ik nog niet eerder had bemerkt, maar die nu wel prominent aanwezig is. En ook mijn buik is duidelijk te zien. De verkoopster garandeert mij dat het vooral in mijn hoofd zit en dat het allemaal wel meevalt, zeker als ik daar iets overheen laat hangen.
     

    ‘Kijk dit truitje bijvoorbeeld’, zegt zij.
    En zij tovert een beeldschoon zwart truitje tevoorschijn, waar ik ogenblikkelijk voor val.
    ‘Maar wat u nodig heeft is corrigerend ondergoed. Mevrouw u moet eens weten hoeveel jonge meiden tegenwoordig corrigerend ondergoed dragen. Ik zie hier alles voorbij komen. Brede heupen, dikke buiken, vetrollen, alles. Wat u heeft is niets daarbij vergeleken.’

    Ik kijk hier zelf toch iets anders tegen aan, vooral die bult op heuphoogte. Waarom heb ik die nog nooit eerder gezien? Een grote bult, en vooral aan de linkerkant. Rechts is acceptabel, maar links ziet er niet uit.
    ‘U moet naar V&D gaan, daar hebben ze een enorme collectie corrigerend ondergoed. Wij hebben hier ook wel wat, maar dat is niet geschikt voor u. Koopt u nu gewoon die rok en loop naar V&D voor dat ondergoed. Als u die bult blijft zien, mag u de rok gewoon teruggeven.’

    Het label aan dit ondergoed moet mij over de streep trekken. Een afbeelding van een mooie jonge vrouw met een perfect figuur met deze broek aan met daaronder de tekst:’ultra control, bottomsolutions.’ Als iemand het nodig heeft, zij is het zeker niet. Ik pers me in het harnas, want zo voelt het toch aan, dat stevige broekje met pijpen met kant in vleeskleur. Het broekje blijft halverwege op mijn dijen hangen, ik krijg het kreng er niet overheen.
    ‘Lukt het mevrouw?’ roept de stem aan de andere kant van het doek.
    ‘Nee, te klein’, roep ik terug.
    Ik zweet als een otter en ook die boodschappentas zweet, want had ik daar niet ook diepvriesspullen in?
    ‘Wacht, ik pak een grotere maat. U had toch large? Dan haal ik even een XL’, en de verkoopster loopt weg.
    Ik wacht in mijn eigen onderbroek, op mijn sokken, omringd door vleeskleurig ondergoed met een volle boodschappentas aan mijn voeten.
    ‘Het wordt XXL mevrouw, XL hebben we niet meer’.
    Ik krijg de broek aangereikt vanachter het gordijn.
    ‘U had toch ook nog een zo’n broekje van heel dun materiaal?’ roep ik. ’In het zwart.’
    Dat lijkt me toch allemaal beter dan al die apparaten die ik om me heen heb liggen.
    ‘Mevrouw, u kunt dat misschien mooi vinden, maar het geeft geen enkele correctie. Ik raad het u af.’
    Uiteindelijk kies ik voor een corrigerend sportbroekje in zwart, met pijpjes en zonder kant. Dit is tenminste niet zo libido-dodend als de andere exemplaren.

    Eenmaal thuis ga ik nog een keer passen. Is die rok wel helemaal goed? Het  lijkt wel of de naad schuin loopt. Ja zie je wel, daar komt mijn heupbult vandaan, ik weet het zeker. De andere ochtend ga ik met mijn rok terug naar de winkel. ‘Mijn’ verkoopster is er vandaag niet, ik spreek met een collega van haar.
    ’Nee’, zegt zij, ‘alle rokken zien er zo uit. Maar als je nu een maatje groter past, misschien zie je de bult dan niet meer. En kijk eens wat een leuk jasje, past er leuk op.’
    Ik pas de rok met het jasje en inderdaad mijn bult is geslonken, hij is slechts latent aanwezig. En dat terwijl mijn corrigerend ondergoed gewoon thuis in de kast ligt. Ik ga de winkel uit met mijn rok en het hele dure jasje dat er zo leuk op past.

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 1463 keer bekeken

  • Gisela

    9 september 2015

    Een golfclub in Rotterdam en 25 strak gekapte dames, de meesten in deux-piece,  aan een lange tafel, gedekt met wit damast. Achter hun broodje zalm met kopje thee naast het bord. Obers die af en aan lopen en ik zit bij de deur. Op een stoel met goudkleurige randen langs het rood fluweel. Het zit voor geen meter. Ik zit daar en bewaak de deur zodat, als alle dames hun broodje hebben er geen ober meer onverwachts binnenkomt om te vragen of alles naar wens is. Er is mij opdracht gegeven zodra de deurklink naar beneden beweegt, ik als een gek de deur moet openen en de verschrikte ober wegblaf. De dames mogen niet gestoord worden. Het is een strikt protocol waarin ik me vrijwillig heb laten vangen. Dat heb je ervan als je nog niet bent geïnstalleerd en in je proefperiode zit.
    De dames voeren op beschaafde toon conversatie met elkaar over ongevaarlijke onderwerpen waar de dames eensgezind in hun mening zijn. Zoals zij vinden hoe het zou moeten zijn en het niet is, wat een schande is en wat beter zou kunnen als de wereld maar zou doen, zoals zij het vinden dat het moet zijn. Mijn moeder zou zeggen: ’Zo fijn als gemalen poppestront’.

    Behalve Gisela. Groot, blond en altijd in een opvallende roze outfit. Grote wijde jurken of een broekpak. De kleur roze varieert van zacht babyroze naar een ’aan-het-oog-pijn-doen-roze’. Gisela met haar onvermijdelijke hondje tegen haar grote borsten aangedrukt. Waar Gisela gaat, gaat ook het pluisgeval. Zit Gisela te eten, pluis zit op haar schoot en eet mee. Gaat Gisela naar het toilet, pluis is erbij als een soort van harig aanhangsel dat geluid maakt. Pluis is onverbrekelijk verbonden met Gisela en heeft een constante nijdige blik waarmee hij de wereld in kijkt.
    ’Hij doet niets hoor’, zegt Gisela. ’Het is toch zo’n schat.’ Het zal wel, maar ik kom niet in de buurt van het kreng, want een kreng is het. Want o wee als de aandacht verslapt voor pluis, gaat het beest tekeer als een gek, en probeer hem dan maar eens stil te krijgen. Dat is wel wat anders dan een ober die nietsvermoedend en met de beste bedoelingen de deur opent om te vragen of alles naar wens is.

    Elke twee weken komen we bij elkaar in de Golfclub in Rotterdam. Altijd dezelfde vrouwen, geen mannen. Het is een club van vooral buitenlandse bemiddelde vrouwen die in Nederland wonen en die meestal als ’vrouw van’ zijn meegekomen. Nederlandse dames zijn ook welkom. De voertaal is Engels, hoewel daar mee gesjoemeld wordt in de onderlinge gesprekken. Het is een debatingclub en het is de bedoeling dat na een half jaar deelgenomen te hebben, je wordt geïnstalleerd als lid. Een club waar ik totaal niet inpas, maar toch in terecht ben gekomen. Samen met een vriendin die ook in deze biotoop totaal misplaatst is. Dat kwam zo.

    Wij studeerden Engels en voor de taal zou het toch handig zijn voor langere tijd in een Engelstalig land te wonen, zo werd ons verzekerd tijdens de studie. Om een aantal redenen, waarvan geld toch de voornaamste was, konden wij daaraan niet voldoen. Dus zochten wij andere wegen. En omdat dit een Engelstalige club was, het nauwelijks geld kostte, was onze beslissing snel genomen. Wij waren de outcasts met onze kapotte panties en onze Zeeman outfit. Samen met Gisela met haar helblond hoog getoupeerd haar dat toen al jaren uit de mode was.

    Het stoorde Gisela niet in het geheel, ze leek het wel prettig te vinden in haar afwijkende verschijning. En ze had lef, zoals ze met haar hele voorkomen de groep bespeelde, zoals bijvoorbeeld de conversaties over dure glazenwassers meteen de grond werden ingeboord.
    ’Hoe zo duur?’, placht Gisela te zeggen. ’Als het veel kost heb je blijkbaar ook veel ramen die gezeemd moeten worden. En veel ramen betekent een groot huis. En ja een groot huis is a lot of money dat je blijkbaar in overvloed hebt. Dus zullen we het nu ergens anders over hebben?’
    Tegen deze logica waren de dames niet bestand en het was voldoende om de dure monden te snoeren.
    ’En waarom neem je je broodje in je servetje mee, als je eerder wegmoet? Ik heb het wel gezien hoor. Kun je het anders niet betalen? Of denk je, ik heb betaald, dus ik neem het mee? Heb je een bucket voor me, kan ik even kotsen.’
    Reken maar dat het broodje bleef liggen op de bordjes. Gisela wist iedereen op zijn Rotterdams op hun gebreken te wijzen. Voor haar eigen gebreken was ze ook niet blind.
    ’Ik hou van de waarheid, die ga ik niet uit de weg. Ja dat kan weleens zeer doen.’
    Dat konden de dames in hun deux-piece beamen.
    Tegen ons zei Gisela: ’Als er wat is, geef maar een yell’.

    Ik zie haar nog staan achter het spreekgestoelte van de golfclub. De bril op het puntje van haar neus en in het Engels met onverkort Rotterdams accent: ’Is it really true?’. De rollende r’s worden in het kwadraat de ruimte ingeslingerd.
    Ze kijkt de 25 andere dames die achter hun broodje zitten, indringend aan. Het pluisgeval kijkt mee. En nogmaals stelt ze haar vraag: ’Is it really true?’.
    De andere dames kijken neutraal terug. Ik ook vanaf mijn stoel bij de deur, ik heb geen idee waar ze naar toe wil. Ik hoor alleen maar: ’Is it really true?’, als een soort mantra sluit ze elke zin die zij spreekt hiermee af.

    Dat installeren intrigeert ons nogal. We hebben visioenen dat we met een zwaard tot ridder worden geslagen zoals de Engelse koningin dat doet. En eerlijk gezegd, dat lijkt ons wel wat. Gisela helpt ons uit de droom. ’Het stelt eigenlijk niets voor. Je moet luisteren naar een verklaring over integriteit en verplichtingen waar je je als lid aan moet houden. Als dat achter de rug is loop je naar het spreekgestoelte en spreek je je maidenspeech uit. Dat kan over elk onderwerp gaan. Ik heb over mijn broer verteld die aan de drugs is en zwerft op straat. Maar meestal gaat de speech over iets maatschappelijks, hoewel, dat verhaal van mijn broer was toch eigenlijk wel aardig maatschappelijk, zou ik zeggen.’

    Gisela vertelt graag over haar liefdesleven, daar zorgen wij wel voor. Wij moedigen Gisela zo veel mogelijk aan alle saillante details te vertellen. Gisela is driftig op zoek maar iedere keer als er sprake is van misschien wel een begin van een relatie, fietst er iets tussendoor. Een opdringerige ex of haar broer die dan ineens aan de deur staat en dringend geld nodig heeft. Dat zijn meestal voorbodes van het abrupt eindigen van een relatie. Want het blijft nooit bij die ene keer, de broer blijft geld vragen, dringt zich het leven binnen van Gisela en de ex eist op hoge toon een bezoekersregeling met het pluizige hondje. Daartegen zijn de minnaars niet bestand. En Gisela? iedere keer opnieuw scheert ze haar benen als een nieuwe geliefde in aantocht is, harst ze de haren van haar bovenlip en koopt nieuw ondergoed. Ze vertelt dat ze bij een eerdere lover die bij haar op bezoek kwam, zelfs de kamer ging witten. Hij zou een week blijven en die vuile muren gaven toch geen beste indruk. De lover blijkt een bruinogig loeder, Pascal genaamd uit Frankrijk, waar ze het slechts enkele uren mee uithield. Wat er precies is gebeurd, wil Gisela niet vertellen, zelfs niet na consistent aandringen van ons. Hij vertrok spoorslags terug naar Roubaix. Zoveel wil ze wel kwijt. Nee met het liefdeleven wil het maar niet vlotten.
     
    Die ex bezorgt wel de nodige overlast. Te pas en te onpas wil hij alles van het hondje weten. ’Eet hij wel genoeg? Komt hij wel veel buiten, nu je midden in de stad woont? Die beestjes hebben beweging nodig, dat weet je toch wel?’
    Gisela wordt er helemaal gek van. Het is uiteindelijk nog voor de rechter geweest, over die omgangsregeling met dat hondje. Het beestje is haar toegewezen. Maar dat betekent niet het einde van de bemoeizuchtige ex.

    Die keer dat Gisela niet was komen opdagen, kan ik me nog goed herinneren. We zaten voor de verandering in een duur restaurant, de golfclub was niet beschikbaar. Er was een gedeelte afgebakend voor ons met van die rode touwen tussen glimmende paaltjes. ’Besloten bijeenkomst’, stond er op een bordje bij om elk misverstand te vermijden. Iedereen was er, behalve Gisela. Ze had zich niet afgemeld en niemand wist waar ze was. Iemand opperde of ze misschien toch naar de golfclub was gegaan en de voorzitster ging bellen. Op de golfclub zat niemand in een roze outfit. Vervolgens besloot de secretaris naar Gisela zelf te bellen. Er werd niet opgenomen. Na enige uitgewisselde ongeruste algemeenheden, werd de bijeenkomst zonder Gisela begonnen. Ook de keren daarna, toen we weer terug in de golfclub waren, geen Gisela, ze antwoordde nooit de telefoon en reageerde niet op brieven. Wij zijn nog een keer over de Schiedamsedijk gaan fietsen of we Gisela niet toevallig zouden tegenkomen, maar geen spoor van Gisela of het pluisgeval. Daarna verslapte onze aandacht.

    Die installatie van ons is er nooit gekomen. Voor ons was de lol ervan af. De gesprekken over geld, dat wij niet hadden, dure auto’s, die wij moesten ontberen, de werksters, au-pairs, daar konden we niet over meepraten. De maand voordat wij geïnstalleerd zouden worden hebben wij ons lidmaatschap per aangetekende post opgezegd. 

    Schiedamsedijk in Rotterdam

    Schiedamsedijk in Rotterdam

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 1072 keer bekeken

  • Auto

    4 september 2015

    Frank bestuurde altijd de auto en ik zat er naast. Dit voldeed prima. Ik had lang geleden mijn rijbewijs gehaald, maar nooit geconsumeerd. Ik hield niet van rijden en later ging ik het eng vinden. De kaarten waren dus geschud, Frank reed en ik zat er naast. Maar nu is alles anders. Er is geen Frank meer die rijdt. En die auto staat ook maar voor de deur.

    Na tien rijlessen stap ik in de auto, helemaal alleen en zo de weg op. Ik woon in het centrum van de stad, dus dat betekent gelijk met de billen bloot. Het gaat goed en ik voel me ‘Master of the Universe'. Hoewel een echt spontane rijder hiermee nog niet is geboren. Wat ik me later realiseer is dat een auto onderhoud met zich mee brengt en er moet af en toe benzine in.

    Ik oefen voor de deur met de benzinedop, ik krijg hem niet los. Ik vraag een loslopende man mij te helpen. Daarna oefen ik verder. Vervolgens ga ik tanken. Met veel passen en meten zet ik de auto voor de goede pomp, ik moet het nummer van de pomp intoetsen en daar haak ik af. Waar staat dat nummer? De man bij de pomp naast mij helpt mij met een gezicht van ‘trut-kan-je-dat-dan-niet-zelf-zien?’ Maar ik tank. En ook nog de goede benzine.

    Het wassen is van een andere orde. Ik ga een paar keer per week zwemmen, vroeg in de ochtend en op de terugweg zie ik ineens een wasstraat. Geen uitstel mogelijk. Het is nog vroeg en mannen op weg naar hun werk staan naast de wasstraat te wachten totdat hun auto klaar is. Het is zo’n wasstraat waar je in rijdt, dan uitstapt en het apparaat zijn werk doet. Ik spreek een van de mannen aan en vraag hoe e.e.a. werkt.
    ‘Je moet binnen bij het benzinestation betalen, dan krijg je een bon, op die bon staat een nummer, dat nummer toets je in op het apparaat dat naast de inrit van de wascabine staat. Wel eerst je auto binnenrijden en dan dat nummer intoetsen.’
    Het klinkt simpel genoeg. Ik ga naar binnen.
    ‘Wat voor beurt wilt u?’ vraagt de man met een neutraal gezicht in het benzinestation.
    Ik blijf hem aankijken, dan wijst hij met zijn vinger naar boven, naar een groot bord.
    ‘Oh, doet u maar het volledige programma.’
    Ik krijg een bon met een nummer. Ik loop naar de auto en rij hem de cabine in. Op het moment dat ik het nummer wil intoetsen, rent een monteur uit de naastgelegen garage en roept: ‘Stop, stop. U heeft de auto niet goed ingereden. Kijk er is een soort van bobbeltje waar u overheen moet rijden, vlak voor dat andere bobbeltje dat daar achter ligt. Dus uw voorwielen moeten tussen die twee bobbeltjes staan. U moet verder doorrijden.’
    Ik stap in en rij de auto naar voren, naar achter, naar voren, naar achter, naar voren en naar achteren. Ik hoop dat iedereen druk met zichzelf is en mij niet ziet. Uiteindelijk staat de auto goed.
    Ik stap uit, toets dan eindelijk dat nummer in. Het apparaat start en ik sta daar tussen de mannen -onderweg-naar-kantoor-die-nog-even-snel-de-auto-wassen-, als vrouw van de wereld te wachten totdat mijn auto als een stralende fenix onder de wasborstels te voorschijn komt.

    Als een komeet vliegt er iets de lucht in, het komt uit mijn auto. Het wordt gelanceerd en ligt een stukje verderop in het water. Het is een stuk zwart plastic en ineens zie ik wat het is, de beschermdop die op de trekhaak zit. Deze dop was al eerder gescheurd bij het onhandig achteruit inparkeren van een paar weken daarvoor. Ik aarzel geen ogenblik, ik loop ik naar auto naar de plas water waar de dop ligt, raap hem op en zet hem terug op de trekhaak. Net op dat moment begint de hoofdwas. Alle registers gaan open om de auto zijn volledige programma te geven. Het water spuit met volle kracht op de auto. Boven, links, rechts, voor en vooral achter, waar ik bezig ben de dop op de trekhaak terug te zetten. Ik ben onderdeel van de auto, ik ben het verlengstuk. En omdat de auto zo perfect in de cabine staat, krijg ik de volle laag. De mannen die op hun auto wachten totdat deze gewassen is, zijn allen druk met hun telefoon. Ik voeg me druipend tussen hun in en ik wacht bibberend in de kou totdat ik in mijn auto kan stappen. Ik doe net alsof het heel normaal is, ik ga niet gek doen, ik pak ook mijn telefoon en als ik eenmaal instap laat ik een plas water achter op het verder droge wegdek.

    Lees meer >> | 1 Reactie | Reageer | 1553 keer bekeken

  • Vakantie

    29 juli 2015

    Vakantie

    Het is druk, heel druk, in de grote vertrekhal bij de gate staan mensen op elkaar gepakt, met en zonder kinderen, omringd door rolkoffertjes en weekendtassen. Het is hoogseizoen en als je eens rustig wilt reizen is dit niet het goede moment. Ook wij, vriendin Nicolette en ik wachten bij de gate met onze koffertjes. Wij zitten op de verwarming, de weinige stoelen zijn allemaal bezet.

    En dan beweging, mensen worden onrustig, gaan staan, pakken hun bagage, roepen hun kinderen bij zich. Een grondstewardess komt aangelopen en roept de priority mensen zich op te stellen voor de bus die de passagiers naar het vliegtuig rijdt. Onze plek op de verwarming blijkt in de priority-rij te zijn, wij blijven zitten, we hebben geen priority. De rij loopt leeg en wij blijven als enigen zitten. De grondstewardess maakt aanstalten om de volgende rij open te stellen en nu blijken wij ineens helemaal achterin te staan en wij dreigen als laatsten in het vliegtuig te stappen. We hebben weliswaar besproken plaatsen, maar het gedoe om plek te vinden voor je handbagage is een survival of the fittest. Maar vlak voor het moment dat de stewardess het lint los maakt waarachter de lange rij mensen ongeduldig staan te wachten, staat Nicolette op en loopt richting grondstewardes. Ik volg als een hondje achter Nicolette aan. De stewardess vraagt: ‘Priority?’, denkend met een verlate passagier te maken te hebben. ‘Nee’, roept Nicolette met luide stem, ‘steunkousen’ en gebaart naar haar benen. En inderdaad, zij loopt niet helemaal fris en dat maakt indruk. De rij wordt tegengehouden, niemand zegt wat en iedereen kijkt. Wij lopen als eersten naar de bus die ons naar het vliegtuig brengt.

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 924 keer bekeken

  • Lijnen, cirkels en spuitsporen

    16 mei 2015

    In de kerk word ik met een driftig gebaar weggewuifd. Ik zie ergens in de verte het hoofd van Arno met zijn camera op een kerkbank, hij op zijn knieën erachter. Hij komt maar net met zijn hoofd boven de kerkbank uit. Ik loop door en bedenk dat dit niet voor mij bestemd kan zijn. Er volgt een nog wat driftiger wegwuifgebaar, nu met giftige blik. Ik deins naar achteren en loop terug.

    Ik bevind me ergens in Frankrijk en met mij 8 fotografen die een cursus volgen. Ik doe niet mee met fotograferen maar hoor wel bij de groep. Elke avond is er een fotobespreking van de resultaten van de opdrachten van die dag. Ik zit bij deze besprekingen als toehoorder.

    ‘Ik was aan het fotograferen met mijn groothoeklens’, zegt Arno, ‘jij stond vol in beeld’. Tuurlijk denk ik. Wat later loop ik verschillende keren op zijn verzoek het stoepje op en af het portaal in van de kerk. ‘Nee, niet goed, nog een keer’, zegt Arno. ‘Doe je tas eens af, ja ook die rugzak. Nu nog een keer, nee precies in het midden, daar bij de zon, ja met die schaduw. Ja nog een keer.’ Het wordt een mooie foto. Bij de bespreking hoor ik dat het hoofd van de persoon niet interessant was, die moest er af.

    Ik zie Hans in het struikgewas schuifelen met zijn schuiftrompet,  zo noemt hij zijn telelens en Jan verdwijnt in een koolzaadveld om minuten later verder weg weer te voorschijn te komen. Maggie ligt languit op een brug voor haar ultieme foto en ook Ben en Wilbert gaan plat in de kerk om hun kleine mannetje te fotograferen. Een cryptische omschrijving van de opdracht van die dag. Kleine poppetjes fotograferen in een sociale omgeving. Je zet bijvoorbeeld een poppetje van een wegwerker in een gat in de muur en vervolgens maak je een foto van dichtbij, alsof het lijkt of dat poppetje een echt mens is die aan het wegwerken is. De poppetjes zien er zeer realistisch uit.
     
    Ik heb ook geleerd dat tuinieren niet uitsluitend in je eigen tuin hoeft te gebeuren. Je voegt iets toe of haalt iets weg tijdens het fotograferen. Bijvoorbeeld een tak die neergelegd wordt of takken die juist weer weggehaald worden. Tuinieren is een ander woord voor manipuleren tijdens het fotograferen. En mensen die toevallig in beeld komen? Dan wordt het feest en iedereen is blij een levend wezen te kunnen fotograferen na al die koolzaadvelden.

    Sinds ik als toehoorder bij de dagelijkse fotobesprekingen heb gezeten kan ik niet meer ongestoord naar een landschap kijken. Ik zie alleen nog maar lijnen die recht zijn, lijnen die krom lopen en die mij wel of niet het beeld intrekken. Ik zie cirkels en rode fietsjes die er niet zijn. Rode fietsjes als metafoor voor een beeldtrekker. In de koolzaadvelden zie ik spuitsporen, alleen de lucht blijft de lucht, maar soms iets te veel.
    Ik leer veel over remsporen die beter nog wat aangezet kunnen worden. En als Wilbert eindelijk een ongecropte (ongesneden) foto inlevert is iedereen van mening dat als er een stukje afgehaald wordt, deze stukken beter wordt.

     

     Titel: Little people. Foto gemaakt door Hans Willemsen

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 1029 keer bekeken

  • Carnaval

    16 februari 2015

    Carnaval

    Ik was er niet op voorbereid, ik ben er te gemakkelijk mee omgegaan. Ik dacht het valt wel mee, of misschien dacht ik wel helemaal niets. Carnaval, ik heb er geen zin in, woon in het zuiden tegen het centrum van de stad aan. De stad die enthousiast dagenlang het carnaval viert op alle mogelijke manieren. De dichtheid van de cafe’s is daar ook debet aan. Het hossen op de markt, de kinderoptocht op zondag, maandag DE carnavalsdag met de optocht van de praalwagens door de hele stad. Normaal gesproken duik ik het carnaval in, samen met Frank, dat doen we al heel lang en altijd met heel veel plezier. Als westerling heb ik met wat dat betreft aardig aangepast, hoewel ik me regelmatig blijf verbazen. Het vrijheidsbeeld fietsend door de stad, twee grote bruine beren bij de AH en Michael Jackson achter de rollator. Niemand kijkt er van op, behalve ik. Ik blijf me verbazen dat anderen zich niet verbazen. Maar nu niet.

    Mijn eerste carnaval alleen. Mijn buurman nodigt me uit om op zaterdagavond carnaval met hem te vieren. Hij staat op scherp. Hij heeft een prachtig pak, ik moet de stof voelen.
    ‘Geen rotzooi, he’, zegt hij.
    Maar ik ga niet mee. Ik sluit me op in mijn huis, dat werkt goed als ik alle ramen en deuren dicht hou.

    Op zondag schijnt de zon, het is zelfs warm op mijn terras. Ik nestel me buiten in de luie stoel, met een boek, koffie bij de hand. Maar dan begint de kinderoptocht vlakbij mijn huis. De fanfareklanken bereiken mijn terras, ik laat me niet afleiden. Daar moet meer voor gebeuren. Maar als de muziek steeds harder wordt, besluit ik weg te gaan. Ik ga naar de begraafplaats, een lichtje branden, een roos neerleggen, maar vooral: rust zoeken.

    Op de begraafplaats is het geluid vele malen harder dan op mijn terras. Het cafe bij de begraafplaats viert ook carnaval. Op volle sterkte. Ik probeer het nog even leuk te vinden maar als ik eenmaal bij het graf kom, zakt de moed me in de schoenen. Het graf is helemaal verzakt, het is scheef, ik zie gaten, de steen met de naam van Frank ligt voor de helft onder de aarde. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de vele sneeuw van de afgelopen maand. Er ligt een berg zand naast, het ziet eruit als een ruine. Slalommend tussen de glasscherven op straat fiets ik terug. Naar huis met de ramen en deuren dicht.

    Maandag is de grote optocht en door mijn dichte ramen en deuren hoor ik de muziek. Ik zet mijn eigen muziek aan. Aan het eind van de middag besluit ik naar buiten te gaan voor een kleine wandeling. Ik heb daar strategisch over nagedacht. Om het centrum te vermijden kies ik de weg richting station om daar de wijk in te gaan, ver genoeg van het centrum af. Inderdaad het is rustig, wat een genot. Maar dan komt er een golf van geluid mijn kant op, ik word er door achtervolgd. Het geluid wordt sterker, het is niet ver weg meer. Ik kijk achterom maar zie niets. Ik kijk naar boven naar de huizen. Is er iemand misschien een eigen feestje aan het brouwen met het raam open? En dan ineens rijdt er een grote brandweerauto achter mij de hoek om, geluidsinstallatie op het dak en mensen tussen de slangen, in de cabine, boven op de auto, luid zingend met de muziek uit de megaspeakers. Als ze mij passeren zwaaien ze. Het geluid sterft weg om na een paar minuten weer aan te zwellen. De auto maakt rondjes en ik krijg de indruk dat ze mij willen plezieren door steeds achter me aan te rijden. Ik zwaai niet terug.

    Ik passeer een cafe, de brandweerauto staat nu voor het cafe. Mensen staan buiten op straat, ze zingen, zijn vrolijk, ik probeer ze te passeren. Een verklede Sjoukje Dijkstra pakt mij beet om mij het cafe in te krijgen. De zeerovers, khadaffi’s en Elvissen moedigen Sjoukje Dijkstra aan. Maar dan gebeurt er een wonder, ik krijg spontaan een bloedneus, een behoorlijke bloedneus. En dat is fijn. Op dat moment kan ik me losworstelen en maak benen, richting huis. Waar ik de verwarming aan zet, de muziek op volle sterkte zet en vooral ramen en deuren dicht hou en voor niemand meer opendoe.

    Lees meer >> | 3 Reacties | Reageer | 991 keer bekeken

  • Velocity

    27 juni 2014

    Ik ben gek op pennen en opschrijfboekjes. Vanaf dat ik als kind zakgeld kreeg, kocht ik blocnootjes, opschrijfboekjes en pennen. Dat is nooit meer weggegaan. Er is niets mis met een pen die heerlijk schrijft. Ik heb twee van zulke pennen, het zijn identieke pennen. Bang zonder te zitten als er eentje onverhoopt ineens leeg is. En ze liggen achter slot en grendel. Niet echt achter slot en grendel, maar in de bovenste lade van een bureautje. De la als obstakel, een extra handicap, om niet zo maar bij de pennen te kunnen.

    Het is een oud bureautje, niet zo groot, een minibureautje uit de tijd dat je niet meer nodig had om je schrijfbloc op te leggen. Het zijn zwarte pennen met een speciale pendikte, ik weet niet hoe dik, maar als ik in de winkel kom en ik laat mijn pen zien, weten ze precies welke vulling ik nodig heb. Ik heb een keer een dunnere penvulling gekregen, omdat mijn pendikte was uitverkocht. Dat wil ik dus nooit meer, dan is die pen ineens mijn pen niet meer. De lijndikte klopte niet meer, ik schreef ineens niet vet genoeg meer, zo vet dat je lekker met je pen over het papier glijdt. Dat je wilt blijven schrijven, puur vanwege het schrijven.  

    Mijn pennen dus. Ze staan niet in de beker waarin de andere pennen staan. Oude pennen, free-gift-pennen, kapotte pennen, je moet zoeken naar een schrijvende pen. Niemand neemt de moeite de kapotte pennen weg te gooien. Deze beker staat op de vensterbank naast een memoblok, zo’n plastic geval met losse blaadjes. Het is een hele oude beker, mijn communiebeker die in de jaren 50 van de vorige eeuw bij de eerste Heilige Communie werd gegeven. Crèmekleurig met afbeeldingen van druiventrossen en een gouden offerbeker, met het opschrift ‘Ter herinnering aan Uw heilige communie.’
    Een beker die alle verhuizingen in mijn leven meegaat. Hoe dikwijls heb ik deze beker wel niet ingepakt, uitgepakt, in een kast gezet, uit de kast gehaald. Heel veel jaren geleden heeft deze beker zijn bestemming gekregen. Een pennenbegraafplaats met af en toe een levende pen. Maar niet voor mijn twee pennen. Ik wil mijn pennen daar niet tussen hebben. Heel af en toe gebeurt het dat ik de pen op het bureautje laat liggen, geheel per ongeluk. Dan ligt zo’n pen helemaal voor de grijp! En als ik hem dan ergens anders tegenkom, klaarblijkelijk door onbevoegden gebruikt, dan is het crisis. Ik weet dan niet hoe snel ik de pen in veiligheid moet brengen, terug in het laatje van het bureau.

    Het is een gewone drukpen, niet zo bijzonder eigenlijk. Je moet aan het uiteinde het knopje indrukken om te kunnen schrijven. De pen is gedeeltelijk doorzichtig, je kunt dus zien wanneer de pen op begint te raken. En tijdig maatregelen nemen. Aan de penkant, waar de pen, de vulling uitkomt, zit een rubberen rand, anatomisch vormgegeven door minimale hoogteverschillen zodat de pen klemvast in de hand ligt. In het rubber is op vier plekken versiering aangebracht, met streepjes. Het lijkt zo simpel, maar dit is een uiting van perfectionisme.

    Wie kijkt er nu naar zo’n rubber randje? Wie neemt daarvoor de moeite? Waarom zou je ook, het is een pen, met een pen schrijf je, je pakt zo’n pen beet omdat je ineens iets moet noteren. Wie kijkt er dan naar zo’n rubber randje? Waarom zou je de moeite nemen om een apparaat te maken die een rubber randje produceert met zeven sierstreepjes? Iemand moet bedacht hebben dat die sierstreepjes ingestanst moeten worden op het rubberproduceerapparaat, zodat het rubber randje versierd is. Dat kost geld. Was daar budget voor? Zit hier visie achter? En wat is die visie dan? Iemand heeft zich tijdens het proces van ontwikkelen van die pen vreselijk zitten uitsloven. Na 20 jaar volgzaam pennen produceren was die persoon eindelijk op de carriereladder gestegen, had promotie gemaakt en was door een gelukkig toeval, ineens tot projectleider gebombardeerd. ‘Nou dat zullen ze weten’, was zijn eerste gedachte. ‘Vanaf nu gaan we pennen maken, nee geen pennen, dat doen we al. Nee, vanaf nu gaan we naar de hand gevormde pennen maken. Deze pen zal de Rolls Royce onder de pennen worden. En ik ben daar helemaal verantwoordelijk voor. Dit heb ik 20 jaar kunnen voorbereiden. Ik huur een pennenontwerper in, zodat deze pen niet alleen anatomisch gevormd is, maar ook een lust voor het oog is. Het moet subtiel, het moet alleen voor de echte pen-adept zichtbaar zijn, wat deze pen uniek maakt.’ De geschiedenis vertelt niet wat er van deze man geworden is. Was het een eenmalige vergissing om deze man te promoveren? Heeft hij het hele ontwerpbudget er in een keer doorheen gejaagd? Feit is dat van dit merk slechts een zo’n model pen in productie genomen is.

    Het anatomisch gevormde rubber met sierstreepjes voelt zacht aan. Maar ook weer niet te zacht om de grip te verliezen. Je voelt de versiering heel licht drukken tegen je vinger. Als je het eenmaal bemerkt, kost het moeite om de pen los te laten. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar deze pen erotiseert. Zou de man daarom maar een zo’n pen hebben kunnen ontwerpen? Is er commentaar gekomen uit bepaalde hoek? Dat doet me ineens denken aan iets anders. Ik heb ooit een expositie gehad met mijn schilderijen in de rechtbank in Zutphen. Het waren grote werken, maar ook hele kleine werkjes, die achter glas in de vitrine stonden. Ik was er niet zo blij mee, want het glas weerspiegelde en je kon de kunstwerkjes niet dichtbij bekijken om ze in detail te zien. We waren een dag bezig geweest om alles in te richten. Het zag er aan het eind van de dag heel mooi uit. We gingen dan ook tevreden naar huis. De andere dag werd ik al vroeg gebeld. Het bestuur van de Rechtbank was komen kijken toen wij al weg waren en had opdracht gegeven een aantal werken te verwijderen vanwege aanstootgevende taferelen en obsceniteiten. Het betrof een groot doek met daarop een man die wanhopig naar zijn hoofd greep, met de tekst ‘The last judgement’. De man kon je interpreteren als iemand van de rechterlijke macht. Twee andere werken waren de kleine schilderijtjes in de vitrinekast. Het waren abstracte werkjes met in het midden een afbeelding van een kijkgaatje. Zo’n kijkgaatje van een deur. In dat kijkgaatje zag je twee copulerende mensen in de kikvorshouding. Ik vond het zelf nogal geslaagd omdat het in eerste instantie helemaal niet opviel, maar ik vond het vooral grappig. Je moest in die vitrinekast toch verdomd goed kijken om iets te zien. Later hoorde ik van mensen dat Zutphen in de bible belt lag, dus dat mijn werken daar geen enkele kans maakten. Was dat ook met onze man van de anatomisch gevormde pen, de Rolls Royce onder de pennen, met het erotiserende rubbertje aan de puntkant aan de hand? Had iemand ook bij hem heel erg goed op zitten letten en was het daarom bij die ene pen gebleven?
     
    Er zit ook een aanhaakstukje aan, een clipje om je pen aan een borstzakje van een overhemd vast te maken. Gek eigenlijk, wie doet dat nog? Verpleegsters doen dat, dat heb ik pas nog gezien. Ik heb weleens iemand in een overhemd gezien met allemaal inktvlekken op zijn borstzakje. Op het moment dat ik er een opmerking over wilde maken, zag ik dat de inktvlekken niet van inkt waren, maar gedrukt op het ongetwijfelde hele dure overhemd. Het waren hele mooie inktvlekken, vormgegeven in sierlijke vormen in een donkerblauwe inktkleur. Ik kan er kort over zijn, zo’n clipje is aan mij niet besteed. Ik neem er geen notie van, het doet me niets, ik gebruik het niet. Het zit er aan vast, dat is het dan wel.

    Maar op dat clipje, ook in mooi zwart staat in witte letters het merk en het type van de pen, met een nummer. Dat zie ik nu ineens. O.7. Zou je ook pennen hebben met een ander nummer? Dat moet toch wel, anders hoef je geen nummer te vermelden. Ik weet niet waar mijn nummer voor staat. Het staat in rechte cijfers vermeld, haaks op de naam van de pen die ook op het clipje in sierlijk schrift is geschreven. Velocity. Velocity? Dat doet me heel erg denken aan de naam van een fiets. Wat heeft een fiets nu met mijn pen te maken? Was de man fietsfanaat? Misschien heeft hij tijdens zijn eindeloze fietstochten zijn geesteskind ontworpen. Wind en regen tegen, blik op niets, dan krijgen ideeën vrij spel. Het hoofd vrij tijdens het tarten van de elementen. En dan ineens, Eureka! Zo’n type man zegt ‘Eureka’. ‘Ik weet hoe mijn Rolls Royce pen eruit gaat zien. Zwart moet het worden, zwart staat voor chique, met witte belettering. Modern chique.’ De man is Fransman, dat weet ik zeker en hij heet Alain, dat kan niet anders. Alleen een Fransman die Alain heet kan een pen met zulk soort onnuttigheden ontwerpen. Een Nederlander zal al snel denken: ‘wtf, een pen, zwart omhulsel, goede stift erin. Klaar is Kees. Wat gaat die pen opbrengen’. Nee dan Alain. Zachtaardig maar met een missie, die als een kat zijn kans afwacht en toeslaat als het moment daar is. Een leven lang gesard en veracht door vrouw en kinderen. ‘Die ouwe zak’, plegen zijn kinderen te zeggen, ‘je hebt er echt helemaal niets aan. Maar we hebben er gelukkig ook geen last van.’ Zijn vrouw die hem steevast elke week gek maakt met opmerkingen over zijn ambitieloze baantje bij de plaatselijke pennenfabriek. ‘Ga nou eens praten. Wordt het niet tijd voor salarisverhoging. Ze maken misbruik van je. Verdomme doe nou eens wat’. Alle variaties zijn in die 20 jaar al langs gekomen. Alain hoort het aan, en gaat weer in zijn stoel zitten, pakt de krant en doet alsof hij leest, onbereikbaar voor zijn ellende waaruit hij niet kan ontsnappen. Als het echt te bar wordt, en het sarren geen einde kent, dan stelt hij een daad. Hij staat langzaam op, laat de krant vallen, loopt op zijn vrouw af en zegt: ‘Ik ga fietsen’. Nou dan weet zijn vrouw wel hoe laat het is. En daar moet het gebeurd zijn. Na 20 jaar wachten, geeft hij de wereld zijn once-in-a-lifetime experience, de Velocity 07.

     


     

     

    Lees meer >> | 2 Reacties | Reageer | 1374 keer bekeken

  • From Ostend with love

    10 augustus 2013

     

    Ik schrik van de sirene die over de daken van de huizen blaast, ons uitzicht van dat leuke hotelletje aan zee. De zee is dichtbij maar helaas niet te zien. Wel zien we de balkons van de flat rechts van ons en de daken van de huizen die ons scheiden van de zee. Als de sirene ophoudt horen we een metalen stem die staccato zijn teksten over de daken gooit.

    Oostende! Hoe kon het zover komen? Sweet memories. Eens, in mijn wilde tijd was ik in Oostende. Engelse vriendinnen van mij waren daar en belden op of ik wilde komen. Dat hoefden ze geen twee keer te zeggen. Ik nam vrij en andere ochtend zat ik in de trein vanuit Rotterdam, richting Belgische kust. De vriendinnen zaten daar in een hotel, voor mijzelf was dat niet nodig. We gingen toch uit en van slapen zou niet veel terecht komen. Slapen dat was voor de dommen en kon dat ook niet prima op het strand? Een verhaal uit de oude doos en wat ik me ervan herinner is het vele dansen in de discotheken in Oostende. Wat ik maar wil zeggen: Oostende had een nogal positieve klank in mijn herinnering en ik had altijd wel een hang om een keer terug te gaan. Dat werd versterkt door de vele beeldenexposities die er de laatste jaren worden gehouden in Oostende en de rest van de Belgische kust en die ik om allerlei redenen steeds had gemist.

    Dus toen F. voorstelde om een paar dagen naar de kust te gaan, was de beslissing snel genomen. Over de boulevard lopen, krantje lezen, koffie drinken, lekker eten, naar de zee kijken en van al die beelden genieten die na de exposities waren blijven staan. Ik kwam al heel snel in een roze wolk, het ging dan eindelijk gebeuren! De verwachtingen waren zogezegd nogal hoog gespannen.

    De deceptie komt al op onze eerste dag. 'Wat is het hier lelijk', roept F. En inderdaad ik heb zelden zo veel lelijkheid bij elkaar gezien. Zelfs de mensen vind ik lelijk. Het is mooi weer, drommen dagjesmensen komen naar het strand. De weinige grandeur die er nog is, is vervallen en al heel lang niet onderhouden, de Japanse tuin is verwilderd, de straten zijn kapot, maar wat ons het meeste verbaast zijn de lelijke vervallen flatgebouwen langs de kust. In rijen dik staan ze niet alleen naast elkaar, ook achter elkaar. Hele rijen en langs de hele kust he, van de Nederlandse tot aan de Franse grens. Wij hebben het zelf gecontroleerd, met het trammetje, dat van grens naar grens loopt, vanaf Nederland naar Frankrijk, dat wel weer ontzettend lollig is, behalve dan het uitzicht.

    'Het lijkt wel of we in een kamp zitten' zegt F. na de zoveelste sirene met omroepberichten. 'En als we het nu nog konden verstaan, dan weten we tenminste waar het over gaat'. Is het Frans, Nederlands? En het gaat maar door. Ook 's-nachts horen we de sirene en de stem over de daken galmen, recht onze hotelkamer in.

    Tussen de sirene-aanvallen gaan we naar het strand, dat is prachtig. Het museum van Paul Delvaux in Koksijde is een aanrader. De mensen die 's-avonds in het park de tango dansen, heel leuk, vooral omdat ze het zelf hebben georganiseerd met geluid uit een simpel geluidsboxje. Op een afstand zie je de paren ritmisch synchroom bewegen, een mooi beeld. Daarentegen moet ik je sterk afraden naar het museum voor moderne kunst in Oostende te gaan. F. had het al snel bekeken, hij werd niet geinspireerd en ging op zoek naar het restaurant. Het was inderdaad niet inspirerend, het waren niet de beste werken die er hingen en het museum was zeer onoverzichtelijk. In een van de zalen kom ik F. weer tegen. 'Er is helemaal geen restaurant hier, maar beneden is een koffieautomaat'. Als ik klaar ben met kijken zie ik F. beneden lijdzaam wachten, zonder koffie. het apparaat is kapot.

    Dan maar op zoek naar de beelden in de duinen. Helaas, niet te vinden of weggehaald voor renovatie. Paardenrennen? he dat is leuk, nooit eerder live gezien. Echter, de paardenrennen spelen zich af op maandag, als we al weg zijn. Ik krijg mijn oude Oostende-gevoel maar niet terug. 

    Het is de laatste dag, we gaan naar huis en we kopen nog even wat beleg voor de broodjes die we hebben gekocht. De dames die ons helpen in de winkel hebben zin in een praatje en vragen waar we logeren. 'Dat is duur' roepen ze in koor. 'Hierboven hebben we een ruimte leeg staan, kom de volgende keer nou gewoon boven de winkel slapen, is veel goedkoper'. 'Nou maakt u zich maar geen zorgen, dames. Wij komen hier nooit meer terug, alles is niet alleen vreselijk duur, het is ook nog eens heel erg lelijk', zegt F. Ik sta met gespannen billen de conversatie aan te horen. De dames kijken elkaar aan: 'jullie hotel is duur, maar voor de rest is het helemaal niet duur hier'. Inmiddels snijdt de kleinste dame 2 plakken ham en 2 plakken kaas en geeft ze mij. 'Dat is dan 6,80 euro'. Gelukkig houdt F. zijn mond. En dan naar huis.

    Oh, en die sirene? Die kwam van de plaatselijke brandweer achter ons hotel. Elke binnenkomende melding wordt direct doorgegeven aan ambulance en politie, via de omroepinstallatie. Nee, met Oostende komt het niet meer goed.

    Lees meer >> | 1 Reactie | Reageer | 1378 keer bekeken

  • De man die de berg af reed

    14 juni 2013

    'Zonder mij kom je daar echt niet' 'en bovendien, hij is mijn vriend', voegt de man toe. Ja natuurlijk, in dit verlaten gebied in de binnenlanden van Portugal is iedereen een vriend, dat is nogal gemakkelijk. We komen Joseph tegen als wij de kaart van het gebied aan het bestuderen zijn. En het moet gezegd worden, we zouden het inderdaad nooit gevonden hebben, ons overnachtingsadres bij José en Fernanda. Het is een traditionele Casa met 10 kamers, een mooi zwembad aan een authentieke binnenplaats. Rondom kleuren de bergen uitbundig door de gele, paarse en witte bloemen op de berghellingen. Wij noemen het 'Paradijs'. Het is ons rustpunt tijdens onze rondtour door Midden Portugal. Wij zijn de enige gasten en we worden verwelkomd als de verloren gewaande zoon.

    Fernanda klimt op stoelen om vanuit hoge kastjes nootjes, hapjes, olijven, worstjes, sausjes te pakken. José  houdt zich bezig met de drank, bier en zelfgemaakt spul dat zo sterk is dat de glazen bijna uit mijn bril springen. Alles wordt letterlijk en figuurlijk uit de kast gehaald voor ons en ook onze gids Joseph is van de partij en drinkt menig biertje mee. Als het nog geen vriend was, dan is hij het nu zeker. Dan begint het ritueel van inchecken en José  kruipt achter de computer om daar voorlopig niet meer achter vandaan te komen. Op het moment dat ik er genoeg van begin te krijgen print José een soort van brief uit voor mij, een brief geschreven in het Portugees en hij heeft dit door de vertaalmachine van Google laten transformeren naar een verhaal met Nederlandse woorden. Hoewel wij er geen touw aan kunnen vastknopen is de essentie ons duidelijk. Hij gaat met ons rijden, hij laat ons de omgeving zien en wel nu op dit moment. Wij zitten al in zijn grote Mercedes als Fernanda nog een hartig woordje met José wisselt.

    José brengt ons naar plekken waar we normaal gesproken zelf nooit zouden komen, een schoollokaal met 20 grote weefgetouwen waar vrouwen kleden en dekens aan het weven zijn, een kerkje, verlaten gehuchtjes met bloeiende sinaasappelbomen en helder bronwater. We eindigen boven op een berg, het is adembenemend, niet alleen door het uitzicht maar nog meer door de straffe koude wind.

    Dan willen we terug, we zijn moe, we zijn de hele dag onderweg en het 'handen-en-voeten-praten' put ons uit. Servicegericht zoals José is, kiest hij voor de kortste weg, een kronkelend zandpad recht naar beneden de berg af. Het mag nauwelijks een pad heten, een zandspoor met steenslag, met grote en kleine stenen en grote en kleine gaten. Ik zit voorin, ik kan zien wat er gebeurt, F. zit achterin en ziet alleen de diepte van het dal. José  ontwijkt behendig de grote gaten, door de kleinere gaten gaat hij met hoge snelheid overheen. We gaan van links naar rechts en steeds als ik denk dat het misgaat, ontwijkt hij op het laatste moment een grote steen of een diep spoor. Het is nu heel stil op de achterbank en José? Hij geniet met volle teugen, hij is in zijn element in die grote bak van hem, zigzaggend met hoge snelheid de berg af, het is zijn moment van glory met Fernanda veilig in de casa die hem niet terecht kan wijzen.

     

    De rest van de tijd zijn José en Fernanda druk met ons, het is hun feestje. Zij sjouwen met hout voor de open haard, want wij hebben het koud bij het eten. Wij kijken met ons vieren naar de verwarmingsketels in het ketelhok, want de kachel in onze kamer vertoont kuren, waar het overdag gewoon koud is, hebben wij 's-nachts 25 graden in onze kamer. Nieuwe ketels, dat wel, maar hoe werken die dingen? Fernanda kookt voor ons, het is veel en de drank is er gratis bij, tijdens het diner en daarna. Van ons geplande rustpunt met dat zwembad komt niets terecht. Als we vertrekken wordt er gekust, gelachen, we pakken elkaar beet, het is een en al hug. En dan gebeurt het. In de achteruitkijkspiegel van onze auto zien we José ons een kushand toewerpen.

    Enne..... mis dit ook niet.  http://www.youtube.com/watch?v=2kRGvLimAkA

    Lees meer >> | 1 Reactie | Reageer | 1454 keer bekeken

  • Meer blogs >>